03. Erven en Marken

De gronden in de huidige gemeente Enschede worden al in de vroege middeleeuwen, zij het nog op  beperkte schaal, gebruikt voor landbouw en veehouderij. Op de Elferink es is sprake van sporen van een boerderij uit 600; op de Usseleres is een boerderij uit 900 aangetroffen.

In een latere fase liggen de boerderijen doorgaans in een krans rond de verschillende essen en vormen daarmee buurschappen. De gronden die niet in cultuur zijn gebracht en die niet het eigendom zijn van een enkele eigenaar (de ‘gemene gronden’) dienen voor houtkap, het steken van heideplaggen, het hoeden van varkens en koeien, e.d. Het beheer ervan is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

In de loop van de tijd – vanaf de 11e eeuw – worden de grenzen van de gemene gronden van de verschillende buurschappen afgebakend  (gemarkeerd): er ontstaan zogenaamde ‘marken’.  Daarmee worden de groeiende inwoneraantallen garanties op hun bestaansmogelijkheden geboden.

De boeren in een marke zijn in de middeleeuwen doorgaans niet de eigenaar van de grond die zij bewerken. Het zijn pachtboeren of leenhorige boeren. Zij betalen hun pacht – meestal in natura – aan grondeigenaren als de bisschop van Utrecht, een klooster (bv. het klooster Werden), de heren van Ottenstein of de Commanderie van de Johannieter orde in Steinfurt.

Bewaard gebleven goederenlijsten bevatten namen van tot op de huidige dag nog bestaande erven.

Heeft een grootgrondbezitter meer boeren als pachter dan fungeert een van hen als hofmeier. Zijn boerderij  wordt aangeduid als ‘hof’ of zelfs als ‘hoofdhof’ als er sprake is van meerdere hoven. Een hofmeier treedt op als vertegenwoordiger van de landeigenaar en is verantwoordelijk voor het innen (en tijdelijk opslaan) van de pachten. Ook heeft hij een zekere vorm van rechtspraak over de pachters op andere erven.

De hofmeier op Hof Espelo bij voorbeeld, onderhorig aan het St. Pieterkapittel van het bisdom Utrecht, heeft het opzicht over 21 hofhorige erven.

De eigenaren van de oudste boerderijen in een marke noemen zich ‘gewaarden’. Zij bezitten een ‘volle’ of volledig gewaarde hoeve (zo’n 20 tot 40 per marke) en hebben volledig stemrecht in markevergaderingen.

Door bv. vererving ontstaan ook halfgewaarde erven, met minder rechten en mogelijkheden. Kötters of wönners (keuterboeren) hebben in de vroege middeleeuwen helemaal geen stemrecht, maar moeten de markevergaderingen wel bijwonen.

De markevergadering vormt het hoogste gezag in een marke. Grondeigenaren en pachters bespreken daar periodiek de gang van zaken onder leiding van een markerichter.

In Twente wordt een dergelijke bijeenkomst doorgaans holtink, holtgericht of holtspraak genoemd. Het beheer van de bomen in de marke en dus van het beschikbare hout behoort tot  de belangrijkste onderwerpen. De markerichter heet dan ook wel holtrichter.

Het dagelijks toezicht in de marke wordt uitgeoefend door twee gezworenen, die ook bevoegd zijn tot het uitschrijven van boetes.

Veel geschillen worden overigens onderling opgelost. In de markeboeken vinden we dan ook meestal wel de problemen, maar niet de bereikte oplossingen.

Voor zover er recht wordt gewezen (‘wiezen veur recht’) geldt het gewoonterecht. Vonnissen worden niet opgetekend: alle betrokkenen kennen het recht. In ingewikkelde gevallen doet men een beroep op de oudste marke in Twente, die van De Lutte.

Strafrechtelijke zaken worden op een hoger niveau ingebracht: bij het richterambt Enschede.

Vanuit de marken wordt een jaarlijkse bijdrage aan de parochiekerk van Enschede betaald. Ook betalen de markebewoners in voorkomende gevallen rechtstreeks de landsheer (bijvoorbeeld voor de kosten van oorlogvoering).