07. Enschede in de Middeleeuwen

De stad Enschede is ontstaan rond de kerk en de nabijgelegen hoofdhof van de Esmarke (gelegen op de plaats van het huidige Van Heekshuis), die zijn gebouwd op een plateau aan de westkant van een stuwwal.

Op het terrein van de hoofdhof staan ook een of meer spiekers, voor de opslag van de landbouwproducten die dienen als pacht in natura van de verschillende erven in de marke. Het geheel is omgeven door een gracht.

Vanuit de verschillende erven in de marke lopen rechtstreekse kerkenpaden naar de parochiekerk. De benaming dood- of lijkwegen wijst op een belangrijke functie ervan. De ligging van de kerkenpaden is nog te herkennen aan het beloop van verscheidene stadsstraten. De Lipperkerkstraat loopt vanaf erve Lippe via de Oliemolenes naar de markt; de Brinkstraat vanaf de (Holziker)brink via het Hogeland.

Aangenomen mag worden dat Enschede door middel van zandwegen verbonden is met andere plaatsen in Twente (Oldenzaal, Ootmarsum en Goor), en in Duitsland (Gronau en Ahaus, Coesfeld). De verbinding met Oldenzaal verloopt langs de Bergweg in Lonneker, die met Goor over de Beckumerweg. De huidige Oosterstraat voert naar Losser, de weg naar Gronau loopt door het Wooldrik.

In de buurt van de kerk staan – naast boerderijen – ook de (houten) huizen van geestelijken, ambachtslieden en neringdoenden en van anderen die niet als landbouwers werkzaam zijn. Ook is er een markt voor de bewoners van de omringende buurschappen.

Het geheel heeft een omvang die maakt dat in de historie de eerste brand van Enschede (in 1225) afzonderlijk wordt vermeld. In dat jaar brandschatten troepen van de graaf van Gelre het dorp dat dan behoort tot – voor hen – vijandig territoir. In dat jaar ondersteunt de graaf van Gelre met zijn troepen de Sallandse edelen die zich verzetten tegen de bisschop van Utrecht als landsheer van Salland en Twente. Zij brandschatten onder meer ook het dorp Enschede.

Nadat omstreeks 1319 de landsheer, de bisschop van Utrecht, aan Enschede feitelijk stadsrechten toekent wordt Enschede in zijn geheel omgeven door een verdedigingsgracht. De (binnenste) gracht loopt langs de tegenwoordige Stadsgravenstraat, de Haverstraat,  het Achter het Hofje, de Windbrugstraat en de Walstraat. De gracht is 20 meter breed, maar raakt in de loop der eeuwen versmald tot maar 7 meter. Al in 1300 wordt gesproken over twee poorten: de Veldpoort en de Espoort. Waarschijnlijk is er dus al eerder sprake geweest van verdedigingswerken in de vorm van een aarden wal met daarop palissaden, aangevuld met stekelige struiken.

In opdracht van de landsheer worden de weermiddelen na 1393 nog uitgebreid;  in 1465 is er – opnieuw op  wens van de bisschop – sprake van een tweede (buitenste) gracht (langs de tegenwoordige) Noorder- en Zuiderhagen. Die gracht is 10 meter breed. De afstand tussen beide grachten is ook 10 meter.

Enschede heeft het recht jaarlijks in de vijf marken hout te halen voor het onderhoud van de verdedigingswerken.

Aan de noordzijde van de stad liggen stadsgaarden (tuinen) en in het westen stadsweiden of –maten. Verder weg de stadsveenkuilen (aan de Allemansveldweg); samen de gebieden waar de stadsbewoners hun groenten kunnen verbouwen, hun vee kunnen weiden of hun turf kunnen steken. Als dank voor het graven van de grachten schenkt de bisschop ook het Getfert aan de stad.

Het stadsgebied als geheel, de stadsvrijheid, wordt de ‘wigbold’ genoemd. De grenzen ervan zijn opnieuw herkenbaar gemaakt door de wigboldpalen die in 2008 zijn herplaatst. Binnen de wigbold, maar buiten de stad, liggen nog enkele herbergen.