08. Enschede krijgt stadsrechten

De akkers en woeste gronden in de Enschedese marken zijn doorgaans eigendom van grootgrondbezitters. Zij komen in de geschiedenis voor als heren van Solms, van Ottenstein, van Steinfurt, soms ook als ‘heren van Enschede’. Ook kloosters zijn niet zelden eigenaar van – veelal door schenkingen verkregen – gronden.

Door vererving, het sluiten van huwelijken, door koop en verkoop of belening van gronden, dan wel van de daaraan verbonden rechten, wijzigen in de loop van de eeuwen de eigendomsverhoudingen.

Omdat talrijke historische schakels (nog) ontbreken, is het niet mogelijk voor alle Enschedese erven en hoven doorlopende reeksen van eigenaren, hofmeiers, markerichters, etc. op te stellen.

Rond de eeuwwisseling van de 13e naar de 14e eeuw komen de eigendomsrechten in de marken van Enschede in handen van de bisschop van Utrecht als de heren van Ottenstein en Van Solms hun rechten verkopen. Daaronder ook de hoofdhof en de gronden in de Esmarke. Geschreven wordt dat de overdracht van rechten ‘onbeperkt en onbetwist’ is.

Het markerichterschap in de Esmarke wordt daarna gelegd op de Lippinkhof.

De bisschoppen van Utrecht oefenen in de middeleeuwen (-1528) in het Sticht (delen van Holland, Utrecht en Gelderland) en in het Oversticht (Overijssel, Drenthe en de stad Groningen), als leenman van de Duitse keizer, ook de wereldlijke macht uit. De ter weerszijden van het aangrenzende gebieden worden bestuurd door hertogen van Gelre en graven van Holland.

De benoeming van een bisschop in zijn kerkelijke functie is aan de paus; de Duitse keizer kent eventueel wereldlijke macht toe.

De regeerperiodes van de opeenvolgende Utrechtse bisschoppen kenmerken zich door veelvuldige territoriale geschillen, door conflicten met de steeds zelfstandiger wordende steden en ook door belangentegenstellingen met in naam ondergeschikte prefecten en burggraven.

Het bisdom kent doorlopend financiële problemen als gevolg van de kosten van de bisschoppelijke legers, de ‘goodwill’ die moet worden betaald om de functie te kunnen verwerven, e.d.

In het midden van de 14e eeuw is de bisschop zelfs uit geldgebrek gedwongen onder meer zijn rechten in Twente te verpanden.

Een van de voorrechten van een landsheer is het verlenen van stadsrechten. De stad wordt daarmee juridisch afgescheiden van het omringende land, krijgt een eigen bestuur en de jurisdictie over het eigen grondgebied. De inwoners van een stad kunnen het burgerrecht verwerven; men heeft deel aan de stadsrechten en – vrijheden. De leenhorigheid van de inwoners aan de grondeigenaren vervalt.

In 1325 verleent de bisschop Enschede ook het recht de hoge rechtspraak (rechtspraak in halszaken) onder eigen verantwoordelijkheid uit te voeren. Andere rechten zijn al eerder toegekend. Enschede heeft nu volledige stadrechten.

Vastgesteld kan worden dat de stad Enschede in die periode al een zekere omvang heeft en van economische betekenis is in de regio. Ook kan de stad worden verdedigd.

Het stadsbestuur bestaat uit burgemeesters, schepenen en een raad. Zij vergaderen in het stadswijnhuis. Een schout is verantwoordelijk voor politie en justitie. Gesproken wordt in het bijzonder over het ‘pijnlijk gericht’ in zaken van ‘eer en goed, huid en haar, lijf en leden’.

Het stadsrecht, dat is afgeleid van het stadrecht van Deventer, is vastgelegd in een protocol, een stadboek.

In 1368 is voor de eerste maal sprake van een stadszegel. Op het schild prijkt een afbeelding van een heiligenfiguur.