10. Enschede in de 16e eeuw

Het Oversticht, waartoe Twente behoort (sinds 1458 is ook de naam Overijssel in zwang), raakt in het begin van de 16e eeuw betrokken bij de Gelderse oorlogen, een reeks conflicten waarin hertog Karel van Gelre zijn machtsgebied in het oosten van de Nederlanden probeert uit te breiden. In deze streken komt hij daarmee allereerst in conflict met de landsheer, de bisschop van Utrecht, die echter niet in staat blijkt het gebied afdoende te verdedigen.

Uiteindelijk heeft alleen Oldenzaal rond 1520 nog een bisschoppelijk garnizoen.

Bij een Gelderse inval in Twente in 1517 wordt Enschede volledig verwoest, inclusief de kerk.

Tijdens de wederopbouw krijgt de stad in 1518 van de bisschop het recht een aantal markten te houden, te weten een gewone markt op dinsdag en twee jaarmarkten: de eerste op donderdag na Pasen en de tweede op de eerste werkdag na St. Maarten (11 november). Aan de jaarmarkten is een kermis verbonden; in november is dat de zgn. ‘koale kermis’.

Markten trekken veel bezoekers van buiten de stad en leveren dus inkomsten op.

Bij de herbouw van de kerk hoort ook het gieten van nieuwe klokken (de ‘Maria’ en de ‘Jacobus’). Dat gebeurt op de ‘Klokkenkamp’, het huidige Boerenkerkhof.

In 1523 leidt een plundertocht van bisschoppelijke troepen uit Oldenzaal tot het in vlammen opgaan van de Noordmolen. De stad krijgt in hetzelfde jaar een Gelderse bezetting. Op de Markt wordt een blok- of wachthuis opgetrokken. Het zal er tot 1531 blijven staan.

Enkele jaren later, in 1535, wordt een ‘nye borgh’ gebouwd door de familie Van Scheven. De borg – te situeren bij de Van Loenshof – komt later in handen van de familie Van Loon. Het gebouw  gaat verloren bij de stadsbrand van 1750.

Als de fungerende bisschop van Utrecht een financiële overeenkomst met Karel van Gelre (met het oogmerk de Gelderse bezetting van een groot aantal plaatsen in het bisdom te beëindigen) niet nakomt, trekt laatstgenoemde de bisschopsstad Utrecht binnen. Een interventie van keizer Karel V van het Duitse rijk leidt in 1528 vervolgens tot het opgeven door de bisschop van zijn wereldlijke macht in het Oversticht.

Overijssel wordt nu een van de uiteindelijk 17 gewesten in de Nederlanden, aanvankelijk verenigd in de Bourgondische Kreits, een autonoom gebied binnen het keizerrijk. Het gewest bestaat uit drie kwartieren (Twente, Salland en Vollenhove) en wordt bestuurd door de staten: de ridderschap en  de steden Deventer, Kampen en Zwolle.

De ridderschap wordt gevormd door de bezitters van de riddermatige havezaten in Overijssel; daaronder de in 1569 door Herman Ripperda gebouwde Hof van Boekelo. Aan het hoofd van het gewest staat een door de Staten-Generaal in Brussel benoemde stadhouder.

De stad Enschede is niet rechtstreeks bij het bestuur van Overijssel betrokken. De stad wordt in deze periode op gezag van het gewestelijk bestuur ook ontvest, van zijn verdedigingswerken ontdaan. De grachten rond de stad blijven wel bestaan.

Karel V wordt in de Nederlanden in 1556 opgevolgd door zijn zoon Philips II, tevens koning van Spanje, die zijn rijk ook vanuit dat land bestuurt. Rond 1565 komen de Nederlanden in opstand tegen het Spaanse gezag, onder meer wegens de onderdrukking van de vrijheid van geweten en geloof: de Tachtigjarige oorlog is begonnen. Ook het gewest Overijssel sluit zich in 1579 aan bij de Unie van Utrecht, opgericht als bondgenootschap tegen de Spaanse legers, maar in feite een onafhankelijkheidsverklaring van de noordelijke Nederlanden. Stadhouder Rennenberg en de staten van het gewest kiezen echter in 1580 weer voor het Spaanse kamp.