11. Verovering van Enschede door Prins Maurits

Spaanse troepen onder de leiding van de landvoogden Alva en Parma proberen in de loop van de jaren met wisselend succes de steden en gewesten die in handen van de opstandelingen zijn overgegaan opnieuw te bezetten. Zo wordt Enschede, dat in 1583 door stropende Staatse troepen is overmeesterd, nog in hetzelfde jaar door de Spanjaarden heroverd onder leiding van graaf Mario de Martinengo. De Spaanse legeraanvoerder, tevens stadhouder in de noordoostelijke provincies, is dan Francisco Verdugo.

Als in 1587 opnieuw een aanval van de Staatsen dreigt, neemt de stad een Spaans (Waals) garnizoen in en worden de verdedigingswerken versterkt door de aanleg van zeven bolwerken ‘flankerende op malkander, doch so enghe, dat sy niet veel gheweldts mochten teghenstaen’. Eén van de bolwerken ligt ter plaatse van de huidige Bolwerkstraat.

Enschede is in die jaren ook de uitvalsbasis voor plundertochten van het garnizoen in geheel Twente en ver daarbuiten. De aanvoerder is de Italiaanse ritmeester Mendo.

Tijdens zijn veldtocht in het oosten verovert de Staatse legeraanvoerder Prins Maurits in 1591 onder meer de steden Deventer en Zutfen. Dat biedt de mogelijkheid op te treden tegen de guerilla van Spanjaarden op het platteland.

Met een list – een fictieve overval op een boerderij, waarna een zogenaamd ontsnapte knecht de Spaanse bezetting van Enschede waarschuwt – slaagt de Staatse krijgsman Joachim Hendriks, beter bekend als Swartenhondt, er in een 22o-tal ruiters uit de stad te lokken naar een terrein bij Beckum aan de grens met Usselo. Daar worden zij aangevallen door de Staatsen en in meerderheid gedood of in het moeras gedreven. Slechts 40 man weten te ontkomen.

Op 8 oktober 1597 bivakkeren ruiters uit de voorhoede van het leger van Prins Maurits op de Usseleres (bij het Mauritsbeumke). Zij adviseren de veldheer vanwege de slechte toestand van de wegen de tros van het leger via Duitsland naar Enschede te verplaatsen en niet via Haaksbergen. Als een trompetter van Maurits op 18 oktober bij de Espoort verschijnt, dreigt hij de bezetting met de woorden: “Gedenk het lot van Bredevoort en Groenlo. Als Zijne Excellentie ook maar één schot moet lossen, zal hij U de kop breken”. De bevelhebbers in de stad vragen nu de kanonnen met eigen ogen te mogen zien. Na het geschut te hebben waargenomen, wordt Enschede zonder slag of stoot overgegeven. Op de wallen staat immers slechts een enkel stuk geschut.

Het garnizoen (108 man sterk) vertrekt vervolgens met vliegende vaandels en slaande trom en “met de lonten brandende in de musketten”.

Op bevel van Prins Maurits wordt de buitenste gracht ‘toegeworpen’ met de grond van de wallen. Ook de bolwerken worden met de grond gelijkgemaakt. Enschede is een open stad geworden. De binnengracht blijft nog wel bestaan.

Met zijn veldtocht in het oosten – ook Oldenzaal en Ootmarsum worden ingenomen – heeft Maurits ‘de Nederlandse tuin’, de omheining, gesloten. Echter niet voor lang.

In 1605 weet de Spaanse bevelhebber Ambrosio Spinola de vesting Groenlo en ook Enschede en Oldenzaal te heroveren. Geldgebrek – Spinola betaalt zijn leger hoofdzakelijk uit eigen middelen – leidt er vervolgens toe, dat verdere Spaanse veroveringen achterwege blijven.

Gedurende de status quo van het Twaaljarig Bestand (1609-1621) staat Twente zowel onder Staats bestuur (vanuit Zwolle) als onder Spaans bewind (vanuit Oldenzaal).

Het stadsbestuur van Enschede spreek in deze periode tegenover de Staten van Overijssel uit, het liefst onder Spaans bestuur te willen blijven.