16. De stadsbrand van 1750

Wie in 1748 burger van Enschede wilde worden, betaalde 50 gulden en ‘een lederen emmer bij de brandspuit’.  Enschede was onder andere in 1170, 1225 en 1517 door stadsbranden getroffen en de meeste huizen waren nog grotendeels van hout gebouwd.  Iedereen moest dus kunnen helpen blussen. Helaas bleek dat in 1750 opnieuw nodig.

De brand begon op 20 mei 1750 bij het huis van bakker Herman ten Tije, bij de Espoort.  Ruim 70 huizen werden in de as gelegd, bijna een kwart van de 300 woningen die Enschede toen telde. Niemand van de 1500  inwoners (in 1748), kwam bij de brand om het leven.

Wel brandde het zuidelijk deel van de stad af:  in totaal 72 huizen, enkele pakhuizen, het  r.-k. kerkhuis

en de doopsgezinde vermaning. Ook de borg (de Van Loenshof) brandde af .

Het vuur verspreidde zich vooral via de strodokken tussen de dakpannen en via de houten gevelbetimmeringen. Sommige huizen werden gered, doordat iemand ‘als een kat’  tegen de daklatten op klom en snel alle strodokken er uit trok, terwijl anderen het huis nat hielden. Het stadhuis werd aan één kant wel beschadigd, maar de dakpannen lagen in kalk en niet in dokken.

Secretaris Pennink had voor de veiligheid de oude leggers en papieren uit het stadsarchief mee naar huis genomen, maar helaas verbrandden die alsnog bij de fatale stadsbrand van 1862.

In 1750 was nog niemand verzekerd. Via de postwagendiensten werd het nieuws van ‘Enschede’s ongeluk’ snel bekend.  Collectes in de hele provincie Overijssel, in Gelderland en in de graafschap Bentheim leverden plm. 8.200 gulden op.  Een collecte bij de gegoede burgerij van Amsterdam 2.584 gulden. Dat was lang niet genoeg om de totale schade van ca. f. 118.000  te dekken, maar wel de schade van de ‘minvermogenden’ ad ruim f. 10.755.

Pastoor Camp,  in wiens huis de rooms-katholieken ter kerke gingen, werd als gevolg van de brand ‘zenuwziek’. Dat kwam mede omdat de grote schade van f 5.000  niet vergoed werd, terwijl een schade van f 1.200 aan de huisjes van de Gereformeerde diaconie wel werd uitgekeerd.

De schade in het kerkhuis betrof voor een belangrijk deel de boekerij van de pastoor. De r.-k. kerk werd in de 18e eeuw weliswaar door de overheid gedoogd, maar nog niet erkend.

Ook de twee brandspuiten werden uit de collectes gerepareerd, terwijl er f. 88 voor het aanschaffen van brandemmers beschikbaar kwam.

Overigens had in 1748 het vermogende deel van het Nederlandse volk nog 5 miljoen gulden bij elkaar gebracht ter ondersteuning van Oostenrijk in de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748).

In 1730 was de Langestraat verbreed en verbeterd. De sloten langs de wegkant waren vervangen door open goten en de mestvaalten aan de wegkant opgeruimd.  In 1737 was de Veldpoort vernieuwd. Na de stadsbrand werden veel meer huizen in steen herbouwd en werd de rooilijn hier en daar rechtgetrokken.

Is. van Dam heeft in 1931 een boekje geschreven over  ’De brand van Enschede in 1750’  Daarin heeft hij tevens de volkstellingen van 1748 en 1795 vergeleken met de gegevens over de schade en de uitkeringen uit 1750 en daarbij van alle akten van 1697–1812 (verkopingen, hypotheken, erfenissen enz.) genoteerd, hoe de ligging van eigendommen was en wie de bewoners waren. Door deze actie weten we nu vrij precies wie in 1750 waar woonde, wat zijn beroep was en hoe zijn gezinssamenstelling.