17. Het begin van de textielindustrie

In Twente is het, nog tot in de 19e eeuw, gebruik dat de oudste zoon de boerderij van zijn ouders erft. Hij heeft wel de verplichting dat broers en zusters zo veel als mogelijk is te laten meedelen in de opbrengst ervan. Veel erven zijn overigens afkomstig uit de voormalige bezittingen van grootgrondbezitters. Voor het verwerven ervan dienen forse leningen te worden aangegaan. Vooral in de 18e eeuw is op de schaarse vruchtbare gronden op het platteland van Twente  sprake van een groeiende, relatieve overbevolking.

Al deze oorzaken samen, maken dat de landbouwers in deze streken gaan zoeken naar verruiming van hun bestaansmogelijkheden. Op overschietende stukjes grond wordt daartoe vlas verbouwd, waarmee men door huisnijverheid in staat blijkt linnen weefsels van behoorlijke kwaliteit te produceren. Indien ook maar enigszins mogelijk meer dan voor de eigen behoefte noodzakelijk is.

Het overschot wordt – al vanaf het begin van de 17e eeuw – opgekocht door zgn. ‘linnenreiders’ of ‘fabrikeurs’, aanvankelijk veelal doopsgezinden, die het linnen verhandelen op de markten van Coesfeld, Steinfurt, Deventer en Zwolle.

Later stellen de fabrikeurs aan hun thuisspinners en –wevers hulpmiddelen als weefgetouwen beschikbaar, maar – vooral na 1750 – ook extra vlas of garens.

Steeds meer spinners en wevers verliezen in de loop van de tijd hun directe verbinding met de landbouw. Zij vestigen zich in de stad Enschede als professioneel spinner of wever. Tegelijkertijd worden weef- of spinlokalen ingericht om de productie te reguleren en te intensiveren. Zo is er al in 1650 sprake van een ‘weevekamer’ op de Labbediek (de huidige Walstraat).

Het bleken van het linnen gebeurt op ‘stadsbleken’, zoals de Prinsenbleek en de Zuiderbleek en op particuliere bleken als de Stroinksbleek, de Janninksbleek, de Blijdensteinbleek, de Van Heeksbleek en de Cromhoffsbleek. De ligging van deze bleken, veelal genoemd naar hun eigenaren, is nog terug te vinden in de gelijkluidende straatnamen.

Als het produceren en verhandelen van puur linnen stoffen uit Twente door concurrentie op prijs en kwaliteit van elders (Amersfoort, Haarlem, Leiden, Duitse grensgebied) steeds minder winstgevend wordt, ontwikkelen innovatieve plaatselijke fabrikeurs (o.a. Jan van Lochem, de gebroeders Blijdenstein, Abraham Strick) alternatieve weefsels, waaronder ‘bombazijn’, linnen met een katoenen inslag (Dt. Baumwolle). De katoen wordt ingevoerd vanuit Griekenland en Egypte..

De Staten van Overijssel verlenen in 1728 octrooi op de fabricage van bombazijn. In Enschede wordt dan opgericht ‘eene fabrijck van bombazijden, diemetten, streepjes, marseiltjes en kalaminken’. De stof blijkt zeer gewild en de bombazijnfabricage verdringt aan het eind van de 18e eeuw de linnenfabricage vrijwel geheel. In Twente als geheel verdienen dan zo’n 6.000 spinners en wevers hun brood volgens de Enschedese methode.  In de stad Enschede zelf werken 1.835 personen in deze nieuwe bedrijfstak.

Enschede wordt het belangrijkste textielcentrum in Twente, na Borne (tot 1675) en Almelo (tot ca 1750).