18. Verkeer en vervoer

Sinds mensenheugenis bestaan er wegen, hetzij over water, hetzij over land, verbindingen tussen plaatsen waar menselijke activiteit plaatsvindt. Soms zijn het niet meer dan paden voor verplaatsingen te voet; dan weer bewust aangelegde bredere wegen of verbeterde delen van natuurlijke wegen.

Uit de oudheid kennen wij de zijde- , barnsteen- of vuursteenroutes. Ook winplaatsen van zout of de aanwezigheid van houtopstanden geven aanleiding tot de aanleg van wegen.

Uit de derde eeuw voor Christus dateren sporen van  handelsroutes door onze streken die voeren naar bv. Drenthe, naar Denemarken en  naar Westfalen.  Moerassen en waterlopen noodzaken tot de aanleg van houten knuppelwegen of andere primitieve vormen van verharding. Als vervoermiddel worden gebruikt karren met schijfwielen, getrokken door ossen.

Als vaarroute is de rivier de Ems voor Twente van groter belang dan nu het geval is.

Het zijn de Romeinen die heirwegen aanleggen, wegen waarlangs een leger zich kan verplaatsen. Men vindt ze in hoofdzaak in het gebied van de (Oude) Rijn, langs de limieten van het Romeinse rijk. Belangrijk in de vroege Middeleeuwen zijn ook de wegen waarlangs pacht in natura naar een palz van de koning of naar de kloosters, de grote grondeigenaren van destijds, wordt vervoerd.

Handelsgoederen, bestemd voor jaarmarkten in de zich allengs ontwikkelende steden, leiden eveneens tot interlokaal verkeer.

Vanuit Deventer (c.q. een doorwaadbare plaats in de IJssel) leidt een belangrijke handelsweg via Goor en Delden, tussen Enschede en het huidige Hengelo door, naar Bentheim, Osnabrück en Hannover.  De weg is bij de grens tussen Enschede en Oldenzaal op enkele plaatsen nog terug te vinden als de (Oude) Postweg.  Een afsplitsing naar Losser en Münster loopt via de Oude Deventerweg en de Landweerweg. Vanaf Goor loopt ten zuiden van Delden via de Beckumerweg een directe route naar Enschede en verder via Gronau naar Münster. De wegen tussen Duitsland en de Hollandse gewesten worden ook wel aangeduid als hessenwegen (naar Duitse kooplieden uit het land Hessen)

Er is via de Oost-Twentse stuwwal ook een handelsverbinding tussen Coesfeld en Coevorden.

Vanuit Enschede zijn er uiteraard de nodige wegen en paden naar de buurschappen rondom: de marke-  en eswegen, alsmede de kerke- en lijkpaden.

Natuurlijke wegen verplaatsen zich, al naargelang het seizoen. In de zomer willen de zandsporen nog wel eens uitdijen; in de winter zijn de wegen vaak onbegaanbaar. Bij wijze van afsluiting worden dan hinderpalen geplaatst.  In Enschede kennen we van oudsher nog de Zomerdijksweg (de oude weg naar Hengelo) en de Winterhaarweg (een zandweg naar Boekelo).

Met omwonenden of met andere steden worden wel contracten gesloten om een belangrijke weg begaanbaar te houden. Een voorbeeld daarvan is een contract van Enschede en andere Twentse plaatsen met de stad Deventer voor wat betreft het onderhoud van de Bandijk in Goor. Gezamenlijk met Münster wordt door Enschede een brug over de Glanerbeek aangelegd en onderhouden.  Een onderhoudscontract kan inhouden dat – ter bestrijding van de kosten – door de overheden het heffen van tol wordt toegestaan.  De tollen op de rijkswegen zijn in 1899 afgeschaft, die op provinciale wegen rond 1910.

Vanaf 1691 geldt in de gewesten van de republiek een uniforme wagenspoorbreedte van 1.21 m. voor de verbindingswegen. De gemiddelde snelheid van een beladen wagen op zo’n weg is 6 km./u.

Het doorgaande handelsverkeer is voor iedere stad een welvaartsfactor van betekenis. Niet alleen moet veelvuldig worden overnacht en dienen mens en dier van maaltijden te worden voorzien; smeden, zadel- en wagenmakers hebben volop werk aan de reparatie van voertuigen en paardentuigen, die te lijden hebben van de slechte omstandigheden op de wegen. De paarden zelf dienen regelmatig te worden ververst.

Steden hanteren ook wel het stapelrecht:  vreemde kooplieden worden gedwongen hun goederen op de plaatselijke markt aan te bieden en niet in de omgeving.

Een bijzondere vorm van transport is het vervoer van post. Aanvankelijk uitgevoerd te voet, vervolgens per paard (de postiljons) en vanaf de 16e eeuw ook per koets of diligence.

In Enschede is al in de 13e eeuw bekend de ‘Danziger Bote’, die vanuit Brugge, via Den Bosch, Enschede en Bentheim een route aflegt die uiteindelijk voert naar Rostock en Danzig. Omstreeks 1500 komen de eerste postdiensten op, al dan niet in combinatie met het vervoer van personen. De post voor Oldenzaal wordt overigens niet in die stad zelf afgeleverd, maar gedeponeerd in een postbus op de hoek van de Oude Postweg en de Stadsdijk.

Regelmatig komt het voor dat passagiers wordt verzocht een postkoets te verlaten, omdat de paarden niet in staat blijken de koets door de modder of het mulle zand te trekken.

In de 17e eeuw is sprake van gereglementeerde brievenposterij, met postmeesters die het beheer voeren over vaste trajecten.  De verbindingen worden in 1799 door het rijk overgenomen; in 1803 ontstaan de Bataafse posterijen.

Nadat op gezag van Napoleon in de Franse tijd vanwege militaire doeleinden ook buiten de steden al enige bestrate wegen zijn aangelegd (de Napoleonsroutes), worden begin 19e eeuw steeds meer wegen ‘gerecht’, met zand of plaggen verhoogd, dan wel bepuind . De Hengelosestraat en de Gronausestraat (de wegen naar de ‘Pruisische grenzen’), zijn hiervan voorbeelden. In de 19e eeuw doet een combinatie van as, ijzeroer- en zandsteenblokken, alsmede grint en vergruisde zwerfstenen, aangebracht volgens het systeem Mac Adam (macadamwegen), dienst als verharde deklaag. De snelheid van het verkeer kan in voorkomend geval toenemen tot 11 km./u.