22. Religie in de 19e eeuw

Voor een overzicht van de kerkelijke en religieuze ontwikkelingen in de 19e eeuw moet vooraf worden gewezen op de sterke, schoksgewijze, bevolkingstoename in de gemeenten Enschede en Lonneker, toen nog niet gefuseerd: 4.000 inwoners in 1812, 10.000 in 1849, maar al 38.000 in 1900. Daarnaast wordt gedurende de gehele 19e eeuw de Nederlandse Hervormde Kerk gezien als de ‘grote’ kerk, die – wegens het ontbreken van sociale wetgeving – een belangrijke ondersteunende rol heeft in geval van ziekte, armoede en ouderdom. De overheid heeft dan nog slechts een aanvullende taak.

.

Hoewel al in 1795 een scheiding van kerk en staat tot stand komt blijft de overheid zich ook na de Franse tijd verantwoordelijk voelen voor de diverse kerkgenootschappen, die mede worden gezien als instrumenten voor volksopvoeding en samenlevingsopbouw.

Zo is de aanstelling van predikanten onderworpen aan de goedkeuring van de plaatselijke overheid.

In het begin van de 19e eeuw staat 60 % van de inwoners van Enschede als nederlands hervormd te boek. Dit percentage geldt ook nog aan het eind van de eeuw. De hervormden kerken in de Grote Kerk aan de Oude Markt. Zij beschikken over drie voorgangers die – rond 1870 – elk een stroming in de kerk vertegenwoordigen. Daarnaast zijn er aan het eind van de eeuw wijkgebouwen van rechtzinnige en vrijzinnige groepen.

In Usselo wordt in 1839 – door het markebestuur – een hervormde gemeente gesticht (het kerkgebouw dateert uit 1844).

De rooms-katholieken in Enschede (in 1849 34 % van de bevolking) behoren tot de parochies van St. Jacobus de Meerdere in Enschede of in Lonneker (sinds 1837, een eerste kerk al in 1820). De kerk aan de Oude Markt komt gereed in 1841. Aan het eind van de eeuw functioneert ook de parochie St. Joseph (de kerk wordt ingewijd in 1894). Het percentage rooms-katholieken is dan 29.1 %.

Sinds het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 ressorteren de parochies onder het aartsbisdom Utrecht.

Vooral ook onder de rooms-katholieken bestaat al in een vroeg stadium aandacht voor wat dan heet ‘de sociale quaestie’, de zorg om arbeidsomstandigheden, woningtoestanden, alcoholverslaving, e.d.

Daaraan is onverbrekelijk de naam verbonden van Alphons Ariëns, priester in Enschede van 1886-1901. Hij is in 1895 onder meer oprichter van het koffiehuis/logement De Volksvriend.

In Enschede is pas sinds 1869 sprake van een Christelijke Gereformeerde Gemeente, voortgekomen uit de Afscheidingsbeweging van 1834. In 1886 ontstaat ook een, uit de Doleantie voortgekomen, Nederduits Gereformeerde Kerk. Sinds 1900 staan al deze groepen bekend als gereformeerde kerken. Hun eerste ‘echte’  kerkgebouw staat sinds 1894 aan de Wilhelminastraat. Een Christelijke Gereformeerde kerk blijft zelfstandig. De gereformeerden tellen in 1869 0.6 % van de bevolking, in 1899 5.9 %.

De doopsgezinden zijn in Enschede ook in de 19e eeuw nog van belang. Tot deze groepering behoren onder meer ondernemersfamilies als Blijdenstein en Jannink. In de loop van de eeuw neemt hun aantal af van 2.2 % tot 1.1 % van de bevolking. Een vermaning van de mennisten staat sinds 1769 aan de (huidige) Stadsgravenstraat.

De ‘Joodse natie’ wordt in 1796 volledig gelijk gesteld aan de andere bevolkingsgroepen. In Enschede worden al in 1750 joodse erediensten gehouden; in 1762 is er een sjoel in de Walstraat. Er zijn dan plm. 50 Joden.

Volgens de volkstellingen geldt in 1849 een percentage van 4.0; in 1899 van 3.1. %. De synagoge aan de Walstraat wordt in 1834 vervangen door een sjoel aan de Stadsgravenstraat. Daar is ook de Joodse school. Tot de Israëlitische gemeente behoort onder meer de familie Menko.

Andere godsdienstige groeperingen zijn in de 19e eeuw in Enschede te verwaarlozen. ‘Ongodisme’  wordt eerst waargenomen in 1879. Rond de eeuwwisseling is het percentage 1.7 % (plm. 650 personen).