23. Onderwijs in de 19e eeuw

In het begin van de 19e eeuw wordt het lager onderwijs voor de eerste maal bij wet geregeld (schoolwet Van der Palm, 1806). Onderwijs wordt een overheidstaak met de openbare school als regel. Ook de spelling van het Nederlands wordt in die periode bij wet vastgelegd. Beide maatregelen dragen bij aan de eenwording van het land.

De markescholen en de stadsscholen in Lonneker en Enschede dienen sindsdien te voldoen aan minimale eisen voor wat betreft de lesstof, de huisvesting van de school en de deskundigheid van het onderwijzend personeel.

Het onderwijs leidt op tot ‘christelijke en maatschappelijke deugden’, daaronder burgerzin en vaderlandsliefde;  in een latere fase zelfs tot ‘verknochtheid aan het Oranjehuis’. Hoofdvakken zijn schrijven, rekenen en de Nederlandse taal. Er is overigens gedurende de gehele eeuw nog geen wettelijke leerplicht. Gedurende het zomerseizoen wordt op de plattelandsscholen geen les gegeven: de kinderen moeten helpen op het land.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen openbare en bijzondere scholen. Bijzondere scholen zijn private instellingen die voor eigen rekening worden gefinancierd, eventueel vanwege een religieuze groepering.

Eerst in 1889 ontstaat een zekere gelijkheid met het openbaar onderwijs door de mogelijkheid tot 30 % overheidssubsidie toe te kennen.
Naast scholen voor het gewoon lager onderwijs zijn er ook ‘bewaarscholen’ (voor kleuters). Bewaarscholen dienen louter tot het bijbrengen van orde, gehoorzaamheid en werkzaamheid. Er zijn geen educatieve doelen.
Vanaf 1857 (Onderwijswet Van der Brugghen) verschijnt het MULO, het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs.

Rond 1870 worden in Enschede, naast de beide stadsscholen, ook scholen voor rooms-katholiek lager onderwijs gesticht. Een meisjesschool in het Larinksticht (1869) en een jongensschool aan de Oude Markt (1875). De school in het Larinksticht – het gebouw wordt geschonken door een particuliere weldoener – omvat ook een bewaar- en een handwerkschool. Een protestantse ‘School met den Bijbel ‘ dateert uit 1891. De toename van het aantal inwoners maakt dat ook het aantal openbare lagere scholen toeneemt. Op een aantal scholen wordt ook Franse les gegeven, op een aantal andere Duits.

Het middelbaar onderwijs wordt in 1863 bij wet geregeld. Deze wet vormt de grondslag voor de hogere burgerscholen (HBS: met 3- of 5–jarige cursus). Tot die tijd kende men de Franse school, een particuliere school gericht op handel en nijverheid. Er werd les gegeven in boekhouden, wiskunde, moderne talen en aardrijkskunde.

In Enschede is in 1815 ook een Franse school voor meisjes opgericht met onder meer een vak als ‘fraaie handwerken’.

Gymnasiaal onderwijs werd in de 19e eeuw nog gezien als hoger onderwijs, ter voorbereiding van een studie aan een universiteit, met vakken als recht, Latijn en theologie. Enschede kent geen stedelijk gymnasium, maar uitsluitend een particuliere opleiding.

Al in 1864 komt in Enschede tot stand de Twentse Industrie- en Handelsschool.  Het is de eerste school in Nederland op basis van de nieuwe wet. De school wordt na 1887 door de gemeente geëxploiteerd. De school vormt de basis voor het latere gemeentelijk lyceum.

Door een 15-tal Enschedese fabrikanten wordt in 1866 de Fabrieksschool opgericht, bedoeld om de (dan 362) kinderen onder de 14 jaar die in de fabrieken werken enige vorm van (verdere) opleiding en algemene ontwikkeling te geven. De kinderen bezoeken in het begin de lessen  voorafgaande aan – in elk geval buiten – de normale werktijden in de fabrieken. De Fabrieksschool verandert in de loop der jaren enige malen van karakter, maar wordt pas in 1974 opgeheven. Het gebouw aan de Noorderhagen (1872), waarin nu een jeugdtheater, is een rijksmonument.

Een ambachtsschool, een vorm van praktisch nijverheidsonderwijs, is gesticht in 1886 als Ambachtsavondschool. Het gebouw aan de Boddenkampsingel dateert uit 1923.