26. Maatschappelijke gezondheidszorg

In de loop van de 19e eeuw ontstaat langzamerhand de infrastructuur van de gezondheidszorg, zoals die nu in hoofdzaak nog functioneert.

Universitair opgeleide medici vervangen de nog praktiserende chirurgijns en heelmeesters. Aderlaters en de tandmeesters voor ‘het kies- en tandwerk’ mogen vanaf 1865 geen praktijk meer uitoefenen.  In dat jaar worden ook de bevoegdheden van drogisten belangrijk ingeperkt.  Ziekenoppassers en pleegzusters worden vervangen door opgeleide verpleegsters (nu verpleegkundigen).

Vroedvrouwen en apothekers zijn al vanouds aanwezig.  Een bekende apotheker in Enschede is Baurichter in de Langestraat, later aan het begin van de Haaksbergerstraat.

Aan het eind van de eeuw ontstaan ook vormen van maatschappelijke gezondheidszorg. De armenzorg – daarin begrepen de zorg voor wezen, ouderen, dak- en thuislozen- wordt voor het eerst bij wet geregeld in 1824 en 1854. In alle gevallen ligt – net als in de voorgaande eeuwen – de primaire verantwoordelijkheid voor het tot stand komen van voorzieningen bij het kerkelijk en particulier initiatief. De overheid heeft slechts een aanvullende verantwoordelijkheid.

Aan het eind van de eeuw verbreedt de problematiek zich tot wat wordt genoemd ‘de sociale quaestie’. Het gaat dan ook om de verbetering van arbeidsomstandigheden, van woningtoestanden en om verslavingszorg (‘ach vader, niet meer’).

Al in 1829 wordt door de fabrikeur Hendrik Rierink een complex van 12 woningen gebouwd rond een hofje, bestemd voor armlastige en oude rooms-katholieke mensen uit Enschede ‘in de hoop dat God zal gelieven te geven, dat allen welke daarin overlijden een zalig sterfuur hebben’.  De minimum-leeftijd voor opname is 50 jaar.

Het Apostelenhof  wordt gebouwd op enkele meters van het, dan nog aan te leggen, Boerenkerkhof van de gemeente  Lonneker.

In 1863 wordt het hofje, na de stadsbrand die de huisjes met de grond gelijk maakte, herbouwd op dezelfde plaats.  Pas in 1925 wordt het verplaatst naar de Dennenweg/B.W. ter Kuilestraat.  Het wordt in 1970 afgebroken.

In 1958 al is aan de Dr. Coppesstraat  een r.-k. bejaardentehuis geopend, inmiddels gevolgd door een tweetal andere (woon)zorgcentra.  In de huidige Ariënsstate aan de Dr Coppesstraat (2006-2008)  bevindt zich een replica van de toegangsboog tot de Apostelenhof.

In 1867 komt aan de Molenstraat gereed een ‘Gesticht voor oude mannen en vrouwen’,  bedoeld voor een zestal eenzame armen, veelal bejaarden, die thuis niet verzorgd of verpleegd kunnen worden. De bouw wordt gefinancierd uit fondsen die beschikbaar komen na de stadsbrand.  In een latere fase vervalt de mogelijkheid tot verpleging.  In 1912 zijn er 80 plaatsen: mannen en vrouwen zijn afzonderlijk gehuisvest, ook als zij een echtpaar vormen.

Het gebouw komt in 1962 in handen van het Leger des Heils dat op dezelfde plaats een Maatschappelijk centrum exploiteert voor dak- en thuislozen.

De verzorging van zieken in afzonderlijke inrichtingen neemt in 1872 een aanvang als gemeenten bij wet worden verplicht voorzieningen te treffen voor lijders aan besmettelijke ziekten. Zowel de gemeente Enschede als de gemeente Lonneker bouwen nu een ziekenhuis, op de zgn. ‘Konijnenberg’,  een terrein achter dat van het eerdergenoemde Gesticht.  Beide ziekenhuizen worden gebouwd voor een bedrag ad 2200-2500 gulden.

De ziekenoppasser, tevens huismeester,  in het Enschedese ziekenhuis ontvangt per patiënt f 1.50 per dag voor de verzorging, f 0.25 per dag voor verwarming en verlichting en een toeslag van 20% boven de winkelprijs op verplegingsartikelen.

Eerst in 1897 wordt , door de Vereniging Ziekenzorg, een nieuw ziekenhuis gebouwd aan de Veenstraat. Bij de opening heeft het ziekenhuis 7 bedden; in 1904 zijn het er 127.

Eerder al, in 1889, is in een pand naast de St. Jacobuskerk  (aan de zijde van de  Jacobusgang) een rooms-katholieke inrichting tot het verplegen van zieken geopend.  De verpleging en verzorging is in handen van de Zrs. Franciscanessen van Thüne.

Sinds 1891 zijn vanuit de vereniging ‘Protestantse ziekenverpleging’ (of het Oranje-Groene Kruis) diaconessen werkzaam in de ziekenverpleging aan huis ofwel de wijkverpleging.

Zij worden algemeen aangeduid als de Zusters Achter ’t Hofje, naar de straat waar het bureau is gevestigd.

Soortgelijke activiteiten van het Groene en het Wit-Gele Kruis dateren eerst uit de 20e eeuw.

Van 1846 tot 1923 functioneert in Enschede een weeshuis, geëxploiteerd door de Hervormde Diaconie. Opgenomen worden weeskinderen vanaf 3 jaar. Vanaf hun 15e kunnen meisjes worden besteed als dienstbode (bij fabrikantenfamilies); de jongens –inmiddels opgeleid tot wever – kunnen terecht in de fabrieken. Vanaf het 18e jaar zijn de wezen vrij om te gaan en staan waar zij willen.

Het weeshuis heeft 158 pupillen begeleid; daarvan zijn er 27 overleden of verwijderd wegens slecht gedrag.