29. Het platteland in de 19e eeuw

De ruimtelijke en de economische ontwikkeling van het buitengebied van Enschede zijn in de 19e eeuw sterk beïnvloed door een aantal structurele overheidsmaatregelen die deels nog dateren uit de Franse tijd.

De vorming – in 1808 –  van de gemeente Lonneker, bestaande uit het grondgebied van de vijf marken van Enschede, kwam al ter sprake. De marke als afzonderlijke bestuurslaag wordt daarmee in feite overbodig. Landelijke wetgeving in 1856 verplicht de marken tot verdeling van de markegronden, veelal woeste grond, onder de waardelen, de gerechtigden. In Enschede vindt dit proces rond 1850 plaats. De meeste grond komt in handen van de grotere boeren; andere percelen worden aangekocht door de fabrikanten uit de stad.  Keuterboeren hebben nauwelijks de mogelijkheid grond aan te kopen.

De woeste gronden, nauwelijks rendabel te maken, worden allereerst gebruikt voor de aanleg van de – kaarsrechte – wegen naar omliggende plaatsen:  Hengelo, Haaksbergen, Gronau, Oldenzaal en Losser. Voor het overige worden de gronden omgezet in grasland en in bospercelen.

Een juridisch sluitende verdeling van de kavels wordt mede mogelijk gemaakt door het gereedkomen van de kadastrale kaarten van Enschede en Lonneker in 1832 (een heruitgave daarvan verscheen in 2011). Deze registratie van aard en omvang van de grondeigendom wordt, op Frans bevel, landelijk al ter hand genomen in 1812. Het kadaster speelt ook een belangrijke rol bij de heffing van directe belastingen. Een reeks plaatselijke belastingen komt te vervallen, daaronder de heffingen op kolen en turf, op het gemaal, het bestiaal en op de aantallen deuren, vensters, dienstboden en paarden.

De landbouwmethoden in de zandgebieden  blijven het grootste deel van de eeuw ongewijzigd. De nadruk ligt op veeteelt; de opbrengsten van de landbouw (in een drieslag: twee maal rogge tegenover eenmaal boekweit of haver) dient voor eigen gebruik en voor de voeding van het vee. Bemesting vindt plaats met menselijke en dierlijke mest en met heideplaggen. Eerst aan het eind van de eeuw wordt kunstmest gebruikt.

In de jaren 1845/1846 leidt de aardappelziekte, waardoor de oogst volledig mislukt, tot grote armoede. Hop- en bessenbladeren, loof van mangelwortels en van andere tuinvruchten worden door de arbeidende klasse als lekkernij gegeten.

De grote landbouwcrisis (vanaf 1878) heeft ook lagere opbrengsten van de veehouderij tot gevolg.

Textielhuisnijverheid komt na 1880 niet meer voor: alle producten worden in fabrieken vervaardigd.

In 1896 worden in de gemeente Lonneker, als eerste in Nederland, opgericht een boerenleenbank, de Coöperatieve Landbouwersbank en Handelsvereniging Lonneker en ook de Lonneker Coöperatieve  Melkinrichting en zuivelfabriek.

De oprichting van de bank wordt voorafgegaan door een Twentse Landbouwmaatschappij (1871), de Lonneker Landbouwersvereniging (1890), de oprichting van een zuivelfabriek door de Enschedese melkinrichting aan de Lipperkerkstraat (1884). In 1901 wordt een nieuwe melkfabriek gebouwd aan de Kottendijk..

De landbouworganisaties houden zich bezig met in- en verkoop van veevoeders, zaai- en pootgoed, landbouwwerktuigen, e.d., maar ook met voorlichtingscursussen en tentoonstellingen.

Een deel van de woeste gronden wordt omgezet in bospercelen. Deze gronden worden veelal ontwaterd, bewerkt en beplant met inheemse, duurzame en snel groeiende houtsoorten. Investeringen in bosbouw blijken in de 19e eeuw zeer lucratief door de toenemende vraag naar timmerhout, bielzen voor spoorwegaanleg en stuthout voor de kolenmijnen.

Het landschap rond Enschede krijgt in deze eeuw een volledig andere aanblik: kale, onafzienbare heidevelden en venen veranderen in bossen, afgewisseld met weiden en akkers. Houtwallen en geriefbosjes verfijnen het beeld.

Aan het eind van de eeuw ondergaan in het buitengebied de inmiddels omvangrijke landgoederen van de Enschedese fabrikantenfamilies nog andere ingrepen. Bekende landschapsarchitecten worden aangetrokken om de terreinen in te richten naar de nieuwste inzichten, met onder meer exotische planten en bomen. De woningen worden verbouwd tot luxueuze villa’s, waarbij de ene familie niet voor de andere wenst onder te doen. De terreinen zijn toegankelijk via luxueuze poorten en langs indrukwekkende oprijlanen. De behuizingen dragen namen als villa Stokhorst (Jannink), de Hoge Boekel (Van Heek), Zonnebeek (Van Heek), het Bouwhuis (Scholten) of het Amelink (Blijdenstein).