31. Stakingen in de textiel

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw worden de gevolgen van de vergaande industrialisatie in Enschede manifest.

De woningtoestanden kwamen al ter sprake. De arbeidsomstandigheden in de fabrieken zijn eveneens voor verbetering vatbaar. Dat geldt de arbeidsduur (dan ten minste 14 uur per dag), de karige beloning, de ontoereikende veiligheidsmaatregelen, de gevolgen voor de gezondheid als gevolg van het inademen van kwalijke stoffen, de eentonige aard van de meeste werkzaamheden, kinderarbeid en nog andere.

Voor Enschede geldt ook nog de zeer forse immigratie in korte tijd uit vooral de armere streken in het noorden van het land (de Drentse en Groningse Veenkoloniën, de Friese Wouden, het Westerkwartier in Groningen) .

Meer fundamenteel gaat het in het maatschappelijk debat om de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal waarvan vooral socialistische voormannen de rondtrekkende boodschappers zijn. In een brief aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis zegt Gerrit Bennink over de textielarbeiders in Enschede: ‘De mensen hier zijn nog geheel onbekend met verenigingen van ambachtslieden in de grote steden, zodat zij vooral als een stom werktuig voortleven. Als zij maar een stuk roggebrood hebben, dan is het voldoende’.

Domela Nieuwenhuis spreekt in 1885 in Enschede (in het gebouw Avion)

voor een gehoor van 600 personen. Het leidt tot de oprichting van een afdeling van de Sociaal Democratische Bond en tot de oprichting van de vakorganisatie ‘Vooruit’. Het ledenblad heet ‘Recht door zee’.

De vakvereniging strijdt voor de verbetering van de materiële positie van de leden, voor hogere lonen, ruimere woningen en betere werkomstandigheden, waaronder in de loop van de jaren vooral ook ‘de achturendag’. Ook wordt geijverd voor algemeen kiesrecht.

.

In protestantse kring wordt in 1884 een afdeling van het christelijke Nederlands Werkliedenverbond ‘Patrimonium’  opgericht, een voorloper van de Twentse Christelijke Katoenwerkersbond ‘Unitas’.

Bij de rooms-katholieken zet kapelaan Alphons Ariëns zich in voor de organisatie van de katholieke textielarbeiders, die naar zijn mening ‘niet in handen van socialistische drijvers’ mogen vallen. De aartsbisschop verbiedt ook het samengaan van r.-k. en protestanten in een algemeen christelijke vakbond.

Ariëns karakteriseerde later de positie van de arbeiders als : ‘Het was opzitten, pootjes geven en doodliggen. En vooral nooit vragen om meer’.

In 1889 wordt de Rooms-Katholieke Arbeidersvereniging St. Joseph opgericht. De vereniging beschikt al in 1890 over het eigen verenigingsgebouw ‘Tivoli’ (nu een apostolische kerk) aan de Oldenzaalsestraat. In 1893 verschijnt het blad ‘De Katholieke Werkman’.

De RKAV is overigens niet zozeer een vakvereniging als wel een organisatie die de geestelijke en culturele verheffing van haar leden wil bevorderen.

De sociale activiteiten van Ariëns hebben niet steeds de volle instemming van de geestelijkheid. Zijn optreden als stakingsleider in 1890 wordt zelfs ongepast genoemd. Overigens worden de vertegenwoordigers van de arbeiders door de fabrikanten doorgaans niet als volwaardige gesprekspartners beschouwd. Ook weigeren zij de werknemers enig inzicht te geven in het financiële reilen en zeilen van hun bedrijven.

De slechte verhoudingen in de textielindustrie leiden in de loop van de jaren met enige regelmaat tot ongeregeldheden en stakingen. In een enkel geval (1886) leidt dat, volgens toenmalig burgemeester Van der Zee,  tot een zodanige verstoring van de openbare orde dat hij de hulp inroept van de cavalerie uit Zutphen. Zijn optreden wordt ‘verschrikkelijk brutaal en willekeurig’ genoemd.

Eenmaal eerder wordt de cavalerie te hulp geroepen bij ongeregeldheden. In 1867 als de arbeiders protesteren tegen de oprichting (door de werkgevers) van een ziekenfonds, waarvoor ook een eigen bijdrage wordt gevraagd (1 cent per week).

Stakingen doen zich voor bij de fabrieken van Stroink & Co en J.F.Scholten in 1886, bij Ter Kuile & Morsman in 1890, in 1902 bij de dekenwevers van Van Heek & Co, in 1909 bij N.J. Menko.

De aanleidingen om het werk neer te leggen zijn wisselend: het ontslag van een arbeider die dronken op zijn werk verschijnt, de vraag om een milder boetestelsel, een loonsverlaging voor de dekenwevers, de willekeur van bazen, onvoldoende reinheid van de privaten, e.d.

De fabrikanten, sinds 1888 verenigd in de Enschedese Fabrikanten Vereniging, reageren doorgaans als collectief. Een staking bij een van de aangesloten bedrijven wordt gevolgd door het stilleggen van meerdere fabrieken en door de uitsluiting van alle arbeiders die er werken.

Dat geldt in 1890 voor 5.000 man, in 1902 voor 2.000 werknemers, in 1909 voor 7.500 man.

De methode staat bekend als het ‘Twentse stelsel’.

De stakingen worden doorgaans  voluit ondersteund door de socialistische vakorganisatie; de protestantse en de rooms-katholieke bond zijn terughoudender. Johan Tusveld (1865-1902) was de eerste en felste stakingsleider van Enschede. Hij was tot zijn dood in 1902 redacteur van het socialistische weekblad ‘Recht door Zee’, waarin hij op ongenadige wijze streed tegen de vijf K’s: Kapitaal, Kerk, Kazerne, Kroeg en Kroon. Hij is begraven op het Boerenkerkhof aan de Deurningerstraat.

Met name de staking bij Van Heek & Co in 1902 ondervindt veel sympathie uit het gehele land. Onder leiding van Henriëtte Roland Holst worden financiën ingezameld om te dienen als aanvulling op de stakingsuitkeringen. Uiteindelijk wint echter de fabrikant.

In 1909 spreekt Pieter Jelles Troelstra, de leider van de SDAP, voor een gehoor van 7.000 textielarbeiders. In dit geval worden door de directie van Menko toezeggingen gedaan.

In 1920 wordt landelijk een nieuwe Arbeidswet ingevoerd, met een onder meer een verplichte achturige werkdag. De Twentse fabrikanten – wars van elke vorm van sociale wetgeving – hebben een uitzonderingsregeling weten te bereiken: in de textielindustrie geldt een werkdag van 8.5 uur.

Vervolgens stellen de fabrikanten echter hun arbeiders voor de keus 10 % minder loon te verdienen, dan wel nog 10 % meer te werken. De reden daarvoor zou liggen in de hevige concurrentie op de wereldmarkt, waardoor hoe dan ook de productiekosten zouden moeten worden verlaagd.

Alle vakbonden verwerpen het voorstel, waarna op 23 oktober 1923 een staking uitbreekt bij Van Heek & Co, die op 24 november al heeft geleid tot het stilleggen van 39 fabrieken in Twente en de Achterhoek en het uitsluiten van niet minder dan 22.000 arbeiders.

Hoewel ook deze staking weer veel steun krijgt uit het gehele land halen de bonden uiteindelijk bakzeil.

Een nieuwe ronde van loonsverlaging (met 5 %) leidt in het crisisjaar 1931 tot een staking bij Gerh. Jannink & Zonen en vervolgens tot uitsluiting van in totaal 16.000 werknemers.

De staking wordt niet door de vakbonden gewonnen; de loonsverlaging blijft ongewijzigd.

Vooral de laatstgenoemde stakingen zijn het gevolg van structurele wijzigingen in de mondiale marktpositie van de Twentse textielindustrie.

In 1946 wordt in de textielindustrie voor het eerst een CAO afgesloten.

Heeft u een vraag of aanvulling?

 

Verificatie