38. Stadsuitbreidingen 1900 – 1950

Als in 1901 de Woningwet in werking treedt wordt ook Enschede verplicht de verdere uitbouw van de stad te reguleren door middel van uitbreidingsplannen. Dergelijke  plannen vormen tot 1921 het raamwerk voor de hoofdwegenstructuur, het beloop van kanalen en spoorlijnen en de ligging van industrieterreinen. Eerst na genoemd jaar mag – na een wetswijziging – ook aan de tussengelegen gebieden een gedetailleerde bestemming worden gegeven.

Het eerste uitbreidingsplan, in 1907 door de gemeenteraad vastgesteld en met vooruitziende blik gebaseerd op een toekomstig inwoneraantal van 100.000, voorziet al in een volledige rondweg (28 m. breed met vier rijstroken) langs de grenzen van de gemeente en in de bebouwing van de Stadsmaten en de buurt Lasonder.  De eerste auto is dan nog maar betrekkelijk kort geleden (in 1900) in Enschede gesignaleerd.

De singels worden uiteindelijk aangelegd tussen 1916 en 1929. De laatste schakel is de zgn. ‘Brug Zuid’ (later Weth. Nijkampbrug) over de spoorlijn naar Ahaus  (ter hoogte van het huidige pand van Dagblad Tubantia).

Nieuwe stadswijken (buurten) zijn in de periode tot WO II ook Pathmos, ’t Zeggelt, de Laares en het Perik, het Zwik,  Horstlanden en Veldkamp.

Enkele woningcomplexen, gebouwd na de brand van 1862, worden rond 1930 afgebroken wegens bouwvalligheid.

In de loop der jaren wordt een aantal landgoederen van fabrikantenfamilies aan de gemeente Enschede overgedragen en tegelijkertijd opengesteld voor het publiek.

Na het Volkspark, dat al dateert uit 1874, zijn het achtereenvolgens het G.J. van Heekpark (1918, met sportaccommodaties, 1932), het park Bultserve (1927), het Van Lochemspark (1929), het Wooldrikspark (1950), het Abr. Ledeboerpark (1956) en het Blijdensteinpark (1958).  Het landgoed Drienerlo is na WO II geconfisqueerd door het Rijk en wordt in 1947 door de gemeente aangekocht. Het landgoed wordt naderhand bestemd voor de vestiging van de (toenmalige) Technische Hogeschool.

Al deze parken worden nu gezien als de ‘groene longen’ van de stad. Ze gelden – met het omringende platteland – als pluspunten voor het woonklimaat van Enschede.

De singels van Enschede zijn mede zo ruim ontworpen, omdat destijds rekening is gehouden met de aanleg van een tramlijn. Die is er echter nooit gekomen; wel een lijn van Enschede (station) naar Glanerbrug (grens). De lijn (van de Twentsche Electrische Tramwegmaatschappij) is geëxploiteerd in de periode 1908 -1933.

Het openbaar vervoer is sindsdien volledig overgenomen door autobussen, zowel de lijnen in de stad (vanaf 1922) als die naar omliggende plaatsen, De verbindingen worden verzorgd door de TAD (Twentsche Autobus dienst) en door de TET. Vanaf 1929 neemt de TET alle lijnen van de TAD over, behalve die naar Losser en Overdinkel, die nog tot 1984 door de TAD worden gereden.

De bereikbaarheid van Enschede neemt nog toe door het verharden van de wegen naar Losser (1907), naar de Knalhutte (Ahaus), naar Buurse (beide 1915). Ook de weg Usselo-Boekelo-Twekkelo wordt verhard.

Van 1922 – 1934 worden de gemoederen bezig gehouden door de discussie over het al dan niet – geheel of gedeeltelijk – samenvoegen van de gemeenten Enschede en Lonneker.

Het grondgebied van de gemeente Enschede beslaat na de grenswijziging van 1884 een oppervlakte van 680 ha.  Telt de stad in 1900 al 25.700 inwoners; in 1920 zijn het er 45.600 en in 1931 plm. 51.000 inwoners. Een 17.000-tal andere stedelingen wonen, in wijken en buurten die direct aan de stad grenzen (vanaf plm. 500 m. buiten de singels), op het grondgebied van de gemeente Lonneker. Die gemeente heeft in totaal plm. 34.000 inwoners.

De stedelijke riolering eindigt echter bij de gemeentegrens, de elektriciteitsnetten zijn niet op elkaar aangesloten.

Vrijwel alle industriële bedrijven zijn gevestigd in Enschede, de eigenaren zijn veelal woonachtig in Lonneker en betalen daar hun belasting.

Enschede meent dat beide gemeenten volledig moeten fuseren, gegeven hun economische en maatschappelijke verwevenheid: ‘Lonneker hangt aan een katoenen draad’. Een meer beperkte toevoeging van grondgebied van Lonneker aan dat van Enschede, zou inhouden dat een schil rondom de stad resteert, waarin een reeks dorpen die onderling geen enkele binding hebben, gelet op het geheel verschillende karakter van Lonneker, Glanerbrug en Boekelo/Usselo.

De gemeente Lonneker biedt in de loop der jaren steeds meer grond aan aan Enschede. De stad persisteert echter op het eerder ingenomen standpunt. In de gemeente Lonneker bestaat overigens zowel een ‘comité tot bestrijding van de samenvoeging’, als een ‘comité tot samenvoeging’.

Op 28 maart 1934 wordt een wetsvoorstel dat strekt tot volledige samenvoeging door de Tweede Kamer aanvaard met 49 tegen 21 stemmen. Een nieuw gemeentehuis voor de gemeente Enschede is al eind 1933 gereed. Het representeert nu een gemeente met 86.000 inwoners.

Het aantal raadszetels stijgt naar 37.  De sociaaldemocratische SDAP is de grootste partij (30 % van de stemmen), de R-K Staatspartij volgt met 25 %, de protestantse partijen met 14 %. De liberalen komen op plm. 16 %. (In 1935 zijn ook nog zes kleinere groeperingen in de raad vertegenwoordigd, waaronder een partij Oud Lonneker.)

Het feit dat het grondgebied van de huidige gemeente Enschede ook het grondgebied van de vroegere gemeente Lonneker omvat is nog terug te lezen in de kadastrale aanduiding van een groot aantal percelen, maar ook in de benaming (uit 1968) van de Historische Sociëteit Enschede-Lonneker.